Ik heb gewaaierd, maar dat moet bij een kolenkachel helemaal niet!
Mevrouw Hubers van Assenraad- Bredow is geboren in Langdoen in 1919. Ze vertelt over hoe zij haar man ontmoette, haar eerste ervaringen in Nederland en hoe ze hier vakantie vierde

HubersvanAssenraa 01.JPG -
De huwelijksakte van mevrouw Hubers Van Assenraad- Bredow
HubersvanAssenraa 02.JPG -
Het tweede deel van de Indische huwelijksakte
Mijn oudste zus ging trouwen. Ons huis was ‘rekbaar’: kassa gamber, een zoon van mijn zus kwam logeren. Hij wilde naar Batavia gaan en ik ging mee als juf. Toen vroeg hij mij of ik een strand wandeling wilde maken. Normaal hebben mannen een pyjama aan na het werk, maar toen ik kwam kleedde hij zich snel aan. Ik moest meer op hem passen dan op de kinderen. Mijn nichtje kwam bij mij in de taxi. Mijn neef en zijn vriend waren aan het praten. Ik dacht: “Wat een griezel”; we kenden elkaar pas en hij wilde al de hele tijd bij mij blijven. De volgende dag kwam hij netjes in pak. Hij zou zijn jas niet uit doen, mijn moeder zei: “Het is zo warm, zou jij je jas niet uit doen?” “Nee, ik ben het gewend.”
Wij mochten aan de eettafel zitten met al dat licht; “Dan hebben jullie geen last van muggen”. Wij zaten graag in het donker, maar mijn moeder zei dan: “Jullie moeten niet zo in het donker zitten”. Mijn moeder was zelfs een keer in de keuken en liet toen expres een deksel vallen, zodat ik kwam kijken. Ik was 19 jaar en mijn man was 30 jaar toen we gingen trouwen. Naast werk voetbalde hij ook. Hij had een ex vrouw. In die buurt had je een winkeltje daar zeiden ze dat wanneer hij wegging er altijd een jonge man bij hun thuis kwam. Daarna zijn zij gaan scheiden.
Hij had een jaar om zich voor mij te bewijzen. We hadden geen huis, mijn zuster woonde in een huis daar hadden we een kamer. Hij zag een keer een huis met een bord te huur en gelijk hadden we dat huis.
Mijn man raakte gewond, hij werkte bij de PTT, hij had vrijstelling. Zondag gingen wij naar de kerk. Een kerk met kinderjuf. Onze jongens kwamen er naar kijken en een Jap reed met zijn wiel in mijn fiets. Hij maakte een dood beweging met zijn hand.
Naar Nederland
Mijn man werkte voor de Jappen. Hij werkte voor Pascassa en toen mocht ik weg. Veel Nederlanders waren weg. Wij konden naar Nederland gaan. Veel bedrijven kregen reistickets naar Nederland.
In 1955 kwamen we aan in Nederland. We kregen een geweldige behandeling.
We gingen meteen naar Breda, naar de Boronielaan. In een pension bij de dames dames Hazelbrack en Clematis.
We kregen twee kamers met drie kinderen. De twee dochters hadden een eigen kamer en ons zoontje sliep bij ons op de kamer.
De kamer was zwart van het roet toen ik de kachel aanstak. Ik heb gewaaierd, maar dat moet bij een kolenkachel helemaal niet! Ze hadden lekker ijs hier: kaneelijs met cacao. Het waren roze mensen die hier wonen, die bomen omhakken in de lente.
Ik moest wennen: aan de kou: een warme jas, schoenen gesloten. In februari zijn we naar Nederland gekomen
In Nederland gingen we voor het eerst in file, ik miste het lopen en fietsen. Wij hadden een caravan uitgezocht, een Belgische. Toen moest ik naar buiten rijden, maar dat kan ik helemaal niet. Even proberen en we hadden hem mee genomen naar camping Romantiek in Luxemburg. Mijn man keek er naar en zag hoe ik alles klaarlegde binnen. De hele camping heb ik getrakteerd op Indisch eten. Er waren ongeveer 30 mensen. Inmiddels krijg ik reductie op de camping. Ik gaf gratis massages, hoofd en lichaam. Ik heb ze gemasseerd, want iemand had hoofdpijn en daarna waren ze genezen. Ik kreeg er geld voor. Ik mocht er niet meer mee door gaan, want ik werd er zelf ziek van. Hierdoor doe ik het niet meer. Als ze langs mij waren geweest gingen de mensen weer opgewekt naar huis. Daar werd ik weer vrolijk van. Er hielpen zowel Indische als Nederlandse mensen.
Ik vond het niet moeilijk om mij aan te passen. Ik heb kookles gegeven voor de pensionhouders.