Over de Kaap: ‘slegs vir blanke’
Mevrouw Milly Arends is twee keer naar Nederland gekomen: eerste keer in 1957 als verlofganger, de tweede keer vanuit Biak, na de overdracht van Nieuw Guinea aan Indonesië
In 1957 kwam ik met mijn drie kinderen van 2, 3 en 5 jaar. Met het vliegtuig was ook mogelijk, maar daarvoor moest je zelf het verschil in prijs met de zeereis bijbetalen als de oorlog voorbij was. We zijn met de boot "Oranje" naar Nederland gegaan over de Kaap omdat het oorlog was in Suez. Dat duurde 1 week langer: 4 in plaats van 3 weken. We kwamen aan op 1 mei.
In Zuid Afrika heb ik voor het eerst discriminatie meegemaakt. In Kaapstad konden we van boord gaan. De kapitein waarschuwde ons al dat donkere mensen er beter aan deden om op het schip te blijven of in de tearoom waar iedereen heen ging. Maar wij wilden wat zien.
In een etalage zag ik een leuk vestje en dat zou zeker te pas komen in het koude Holland. De -blanke- dame achter de toonbank was vriendelijk: “Waar komt u vandaan mevrouw? Indonesië? Waar ligt dat"
"Dat is bij Singapore", zei ik en ze verdween naar achter en kwam terug met een donker meisje dat mij moest helpen. Mijn man is blank -lijkend op een totok- ook in het park werden wij weggekeken. Iemand zei dat we er niet mochten zitten: ‘slegs vir blankies’. Pas achteraf wisten we dat dit Apartheid was.
We kwamen in IJmuiden aan en daar werden we met bussen naar de opvangadressen gebracht. Wij gingen naar Utrecht, een opvangadres aan de Catharijnesingel.
We woonden in Utrecht op een zolderkamertje. Je moest daarvoor trappen op, wat we niet gewend waren. Het was zelfs een beetje griezelig. Er was wel een wastafel, maar het water was ijskoud. Daar bleven we drie weken.
Voor mijn man was Nederland geen onbekend land. Voor mij en de kinderen wel. Ik kon niet goed wennen, die eerste keer. Er was geen ruimte, het leek of alles op me afkwam. Een vriendin van ons had iets gevonden in Den Haag, in de Schuitstraat: in de 'trassiebuurt'! In de straat was een ijscoman. Heerlijk, met veel slagroom!



