Een pracht pension in de PC Hooftstraat
Ik kwam in Amsterdam terecht: in een pracht pension in de PC Hooftstraat. We hadden geen eigen badkamer. Het was eens in de week baden. Maar onze bedden werden wel opgemaakt. Ze waren erg vriendelijk. Het was een toeristenpension. Wij kwamen in januari aan, dus het stond leeg. Ze hadden plaats voor de geëvacueerden. Ik heb er kennissen aan overgehouden tot nu toe.
Het pension was achter het Vondelpark. Daar ging ik altijd wandelen met mijn oudste zoon Wouter. Er was een eetzaal. We gingen niet allemaal aan één tafel, maar aan aparte tafels. Een beetje hotelachtig. En je had wel een eigen wc, maar de badkamer was dus maar eens in de week open.
Daar leerden we onder de dekens slapen, dat had ik nog nooit gedaan. De dienstmeisjes leerden mij hoe ik het bed moest opmaken: het laken onder de deken. En als ik met Bert wilde wandelen, dan wilden ze wel op het kleintje letten. Ik had het echt fijn. En het pension had centrale verwarming. Ik had vriendinnen die op een kamer in de buurt woonden in een pension met kolenkit. Dat heb ik dus gelukkig niet hoeven doen.
Maar ja, een tijdje voor de zomer moesten we eruit. En toen kwam ik terecht in een pension in de rosse buurt van Amsterdam. Eten aan lange tafels. En dan kwam je bord op tafel en boven je hoofd kwam dan een frikadel. Zo kreeg je dat dan. En op de wc’s mochten we niet hurken. Dat was ook zo iets. Het was opeens heel anders.
Ik kreeg gauw een huis in de IJzingastraat. Dat is tegenover de Oosterbegraafplaats. Het waren nieuwe huizen. Het was splinternieuw, maar wel een beetje klein.
