Van merang naar shampoo
Mevrouw van Gemert werd na aankomst in Nederland opgevangen in een pension waar ze verschillende aanpassingen ondervond: eten, wassen en fietsen bijvoorbeeld.
In 1955 ging ik met mijn gezin: man en drie kinderen van 6, 9 en 13 jaar naar Nederland, naar Doorwerth.
Het was een groot gebouw, nu is het een hotel geworden. We kregen twee kamers, een voor de kinderen en een voor ons. In het hotel was ook een gezamelijke ruimte. In de keuken was alleen water, we mochten er niet koken. Er waren koks. Het eten ging wel: aardappels, groenten, en iedere dag vlees. Ontbijt moesten we zelf halen in de zaal beneden en dan op de kamer eten. Het eten in de avond was ook gezamenlijk halen en dan in de kamer eten.
Het washok was altijd toegankelijk. Er waren mooie nieuwe douchecellen, maar die ruimte zat op slot. Eens in de week kon je er maar baden, op zaterdag, dat was wel wennen. In het hotel zaten zo’n 200 tot 300 gasten, het was een groot hotel. Op de etage zaten we met 18 man, de douche op de etage moesten we dus delen. Mannen en vrouwen apart. In Indonesië gebruikte ik larang om mijn haar te wassen: droge padi rijsthalmen in een bos waar je heet water overheen giet, dan doek erover en het schuimwater eraf scheppen. In Nederland gebruikte ik gewoon shampoo en haarolie na het wassen.
Doorwerth was een heel fijn pension, het was vrij. Veel mensen daar klagen, er was veel ruzie met de pensionhouder over eten en behandeling. Maar de behandeling was goed. De pensionhoudster vond mijn kinderen prettig. De kinderen gingen met een stadsbus naar school, was niet ver van het station, lijn 6 weet ik nog. De kinderen gingen allemaal naar dezelfde school in Doorwerth. Ze werden er goed opgevangen door de leraren. Gelukkig was er een Indische leraar, de heer van Leer, die zal ik nooit vergeten, was een sympathieke man.
In het hotel was het een prettige groep. Er werd aan handwerken gedaan, ik deed met alles mee. De pensionhoudster organiseerde een Sinterklaasfeest, was een hoogtepunt met schoenen zetten. Met kerst was er een gezamenlijke dienst met een dominee en een pastoor.
De eerste sneeuw was raar en ook nog koud. Iedereen maakte kabaal en ging naar buiten, niemand had nog sneeuw gezien. Ik ging niet naar buiten. Veel te koud. De kinderen gingen allemaal wel naar buiten, sneeuwballen gooien en zo.
Om van het pension naar de winkels te gaan in Heelsum leende ik een fiets van een meisje uit het pension. Ik heb in Nederland nooit meer een eigen fiets gehad. In Indië fietste ik overal naartoe. Maar hier is het veel te vol, te druk om te fietsen. We woonden daarna altijd bij winkels in de buurt, of de kinderen namen de boodschappen mee vanaf school en de melkboer en de bakker kwamen nog aan huis.

