Niet katholiek, niet moslim, gewoon protestants
In oktober 1945 zijn we gevlucht van Surabaja naar Singapore met het Engels fregat de Loch Gorm. Met achterlating van alles: een koffer met kleren hadden we mee, maar die moesten we achterlaten, behalve een klein koffertje met papieren. Mijn moeder had alleen een hondje meegesmokkeld.

Met de handschoen getrouwd -
Mevrouw Bouhuisen was al in Nederland toen ze trouwde met haar man die nog in Indië zat. Met de handschoen en daarom moederziel alleen op de bruidsfoto. De japon is door haarzelf gemaakt met stof die ze in Singapore had gekocht. In Nederland was de textiel nog op de bon.
In 1946 werd ons kamp in Singapore opgeheven. Het kamp was al bijna leeg: mensen waren terug naar Indië of waren naar Nederland gegaan. Mijn man zou naar een ander kamp overgeplaatst worden en wij zouden trouwen maar mijn moeder wilde naar Nederland. Mijn man heeft toen voor mij beslist: ik ging mijn moeder naar Nederland brengen. Hij heeft mij naar zijn ouders gestuurd. Ik correspondeerde toen al met mijn schoonmoeder.
Op de Kota Inten, een Nederlands troepenschip, zijn wij regelrecht naar Holland gegaan, we kwamen aan in Hoek van Holland.
Een ambtenaar Overzeese gebiedsdelen vroeg toen welk geloof je had. Daar had ik even bonje mee. Ik ben protestants. Maar hij vroeg weer welk geloof ik had, ik zei: “Niet katholiek, niet moslim, protestants." Hij noemde toen uiteindelijk gereformeerd of hervormd. Ik wist het echt niet. Hij besliste toen maar hervormd. Dat bleek mijn geluk te zijn: mijn schoonmoeder was hervormd. Toen werden we in een bus langs alle adressen rondgereden. Ik kwam in het Westland terecht in een smal straatje in Naaldwijk, een echt arbeidersstraatje. De bus kon er nog net in. De hele straat liep uit. Het was op 5 juni 1946.
Ons huwelijk was op volmacht: we trouwden met de handschoen. Hij zegt dat we in mei 1946 zijn getrouwd toen hij zijn handtekening zette, ik zeg dat we op 16 oktober 1946 zijn getrouwd, toen ik mijn handtekening zette.
Ik maakte op gegeven moment met het nichtje van mijn man een wandeling, toen zijn wij een onderwijzer tegengekomen die zij kende en zij vertelde dat haar tante — ik dus — een baantje zocht. Mijn moeder bracht me naar de Voorschotbank. De ouders van de kassier woonden bij ons in de straat. Ik had alleen mijn agenda met puntenlijsten meegenomen, mijn diploma’s was ik kwijtgeraakt. Ik kon komen voortypen en werd prompt aangenomen, per 1 juli op de bank.
Alles was mooi. Mijn schoonmoeder bleek trots op me te zijn. Mijn schoonmoeder kwam de schoonmoeder van haar dochter tegemoet, een beetje een domme vrouw, die haar toeriep: “Kan je je dochter wel verstaan?" Waarop mijn moeder antwoordde: “Ze kan beter Nederlands dan jij en ik samen" Ik liep ook samen met haar en de buurvrouw gearmd naar de kerk.
