Door de oorlog was alles kaal
Ik was filiaalchef bij een opticien in Bandung. Tot ik in 1956 naar Nederland vertrok
Op advies van Indonesische vrienden begin 1956 heb ik het hoofdkantoor aangeschreven zodat ze een vervanger voor mij gingen zoeken. Ik ging daarna passage regelen. Mijn vrouw vertrok eerder naar Nederland in mei, met de kinderen. Ik wilde zelf de reiskosten betalen. Ik wilde met zo min mogelijk schulden in Nederland aankomen. Ik bleef achter met mijn schoonmoeder in afwachting van haar visum. Toen de boot van mijn vrouw vertrokken was kreeg ik het bericht dat het visum van mijn schoonmoeder er al was. Het volgende schip zou pas in oktober gaan en dat was te laat. Ik had gehoord dat we voor september weg moesten. Uiteindelijk zijn wij op 1 juni met de van Oldebarneveld vertrokken. In Suez kreeg ik van mijn vrouw een telegram: ze zat in Berg en Dal in pension Beatrix.
De toestanden in het pension waren verre van ideaal, er was bij voorbeeld maar een toilet per etage. Er waren twintig kamers en twee toiletten. Het toeval wilde dat een van de bewoners een journalist kende die bij het Nijmeegs Dagblad werkte en die kwam een reportage maken. Nog een toeval was dat een dochter van mij, omdat het toilet op de gang bezet was, ‘het’ op een potje in de huiskamer moest doen. De journalist en de fotograaf maakten er een foto van die in de krant verscheen.
Toen brak de hel los, de ambtenaar van maatschappelijk werk en de pensionhouder waren erg boos.
Het eten was ook heel slecht. De emmer waar ook de toiletten mee gedweild werd, diende ook om groenten in te wassen. De kinderen lustten het eten niet, mijn vrouw heeft het toen zo geregeld dat ze alles in natura kreeg en kon goedkoop fruit krijgen bij een boer. Op de gang kookte ze op petroleum. We aten op de kamers, van een kist hadden we een kast gemaakt en met een gordijntje afgeschermd.
De recreatiezaal was gesloten, maar die hebben wij weer opengekregen. Na een vergadering met de rayonchef. Eerst zaten er Ambonezen, bleek en die hadden de piano gemold waarop de zaal op slot was gedaan. Toen wij daarachter kwamen hebben we de zaal weer mogen gebruiken om Kerst te vieren. We hadden brood gehaald, een radio en pick-up meegenomen naar de zaal. We mochten maar tot twaalf uur fuiven. Toen zijn we met de bus naar Groesbeek gegaan om met de burgemeester te praten, hebben een aanvraag ingediend en toen mocht het tot twee uur. Uiteindelijk zijn we tot half vier blijven fuiven, het was reuze gezellig
Ik heb veel mee kunnen nemen, een halve kubieke meter per kind en een kubieke meter per volwassene: ik kon zo 5 m2 meenemen, volgestouwd met bedden enzo.
Nederland was een beetje vreemd voor mij, nieuw, leuk. Pas later begon ik het saai te vinden. Door de oorlog was alles kaal. Alles was herbebost, als je reed zag je alleen maar weilanden met koeien. Het bos was doods, geen vogels, alleen egels in Berg en Dal. In Almelo waren meer vogels.
Ik kreeg omscholing tot machinebankwerker in Nijmegen. We werden door de gemeente opgeroepen om een test te doen. Sommetjes maken en een figuur uit ijzer precies na te maken. Er waren er maar twee in een keer geslaagd (waaronder ik).
Op gegeven moment werd mij een huis in Almelo aangeboden, een flat. In Almelo was een meubelzaak, de eigenaar ervan kwam bij ons in het pension, hij had de sleutel en zou ons komen ophalen. Toen zijn wij er naar toe gegaan. Hij heeft het huis laten zien, hij had de sleutel, opgemeten en wij hebben bij hem de meubels gekocht. Wij kregen Fl. 2800,- om ons huis in te richten. Dat moesten we later terugbetalen en uiteindelijk is er ook een stukje kwijtgescholden. Toen alles klaar was, werden we opgehaald door die meubelhandelaar en kwamen we in ons ingerichte huis: gordijnen hingen, de haard was aan, er was zelfs melk en brood!
Ik ben gaan werken bij de firma Hazemeijer in Hengelo. Wij produceerden elektromechanische apparatuur, waaronder schakelaars voor hoog- en middenspanning. Ik heb er 24 jaar met plezier gewerkt.


