Alles zou nagestuurd worden, daar is niets van terecht gekomen.
Ik ben geboren in Indonesie, Malang in 1924. Ik kwam in Nederland in 1962, uit Nieuw Guinea. Wij gingen in 1951 weg uit Jakarta. Wij weigerden warganagara te worden, we moesten dus weg. We waren in de veronderstelling naar Nederland te gaan, via Singapore.
Maar de kapitein maakte halverwege rechtsomkeert en bracht ons naar Nieuw Guinea, ik ben alleen moeten gaan met drie kinderen, mijn man was opgepakt. Het was een opluchting dat we naar Nieuw Guinea gingen. Mijn ouders waren daar en hoe langer we de zon hadden, hoe beter.
We hebben eerst in Sorong gewoond en ManoKwari. Ik was huisvrouw en had een verantwoordelijke taak bij de resident. Party’s begeleiden, ik leidde een soort guesthouse en resident Bodegom en zijn vrouw, zij zochten iemand die party’s kon leiden, zodoende heb ik vaak in de bediening bij party’s of in de keuken gewerkt. Zodoende, als er vergaderingen met ministers uit Nederland waren, dan ontving ik ze. Alles: eten en drinken presenteren met helpers; opgeleide Papoea’s. Ik hielp hen opleiden, wegwijs maken.
Ik leidde een hotelletje en resident Bodegom en zijn vrouw, zij zochten iemand die party’s kon leiden, zodoende heb ik vaak in de bediening bij party’s of in de keuken gewerkt.
Ik heb ook gewerkt voor de NNGPM, de Nederlands Nieuw Guinea Olie- en Petroleum Maatschappij in de employees winkel, voorheen de BPM (Shell), die hadden daar boringen in Sorong. Daar heb ik zeven jaar gezeten met vijf kinderen, mijn man en mijn ouders.
Ik had veel hulp aan mijn moeder, in mijn guesthouse en de Papoea’s die voor mij werkten, Papoea’s die veroordeeld waren door de Nederlanders en de Ambonezen omdat ze andere Papoea’s hadden vermoord en opgegeten. Ook hebben we de Papoea’s geholpen in godsdienst en opleiding, er is heel wat gedaan om de Papoea’s van alles te leren.
De Ambonezen waren daar om hen godsdienst bij te brengen, dat zijn de goeroes. Van de Papoea’s heb ik heel wat hulp gehad, ze hebben hard gewerkt. De zending en de missionarissen en Molukse leraren.
Eerst heb ik bij de NNGPM gewerkt. Toen werd de hoteleigenaar opgepakt voor fraude en werd ik uitgezocht om het over te nemen. Mijn man was te werk bij het rijk, bij het residentiekantoor. Pasang Grahan heette het guesthouse. In de buurt van het residentiekantoor was dat. Vandaar dat ik de leiding daar kreeg.
In 1962 moesten we weg, Soekarno kreeg zijn zin.
Het werd telegrafisch doorgegeven en we hoorden het via de legerleiding; we moesten binnen een maand weg zijn. Het was heel erg: we moesten have en goed achterlaten.
Ik had een kippenfokkerij, bloemen, de honden moesten afgemaakt worden, we moesten alles achterlaten. We moesten zoveel mogelijk inpakken wat we konden. Alles zou nagestuurd worden, daar is niets van terecht gekomen.
Van Manokwarie zijn we met de Dakota naar Biak gegaan en daar namen we het Nederlandse vliegtuig naar Nederland.
