Deur open, anders kan ik geen adem halen
Mevrouw Gouw Tjoen Nio - de Raaff kwam zwanger in Breda terecht bij haar schoonfamilie, op de boerderij. Over bedstedes, bevallingen op de ladder en snelcursussen Nederlands.

Een maquette van een Indisch huis -
In huize Raffy staat een maquette van een Indisch huis, in afwachting van restauratie. Zoals te zien, wordt er in het tropische huis veel gebruik gemaakt van open ruimtes om te wind door te laten. Verre van benauwd dus.
Mijn man ging als militair naar Indonesië en heeft mij meegenomen. Hij was vrachtwageninstructeur en kwam elke dag langs en zo zag hij mij telkens. Toen zag hij mij niet meer. Ik was verpleegster en woonde in Bandung. Hij had grote schoenen, hij had schoenmaat 47 en moest dat dus speciaal bij de foerier bestellen. Toen zag hij mij daar weer en dacht hij: "Wat leuk, nu zie ik jou."Maar hij was verlegen en vroeg een andere soldaat of hij mij een briefje wilde geven . Er op stond: “Wil je met mij kennis maken, met mij mee uit?" Toen heb ik dat gelezen, ik had nachtdienst en schreef gelijk terug: “Je mag me vanmiddag komen halen om twee uur".
Maar hij zag me toen met een andere soldaat, dat was mijn zwager, maar dat wist hij niet en ik liet hem in de zon staan. Een andere keer spraken we weer om twee uur af en liet ik hem weer in de zon staan.
Uiteindelijk zijn wij naar de film gegaan. ‘You belong to my heart’, die heb ik zes keer in een week tijd gezien met hem. Het was een mooie film, nu erg melig, maar ja, je bent blij met een zoenfilm, je bent verliefd.
Het was nog geen jaar, toen zijn wij getrouwd. In 1949. Mijn man was A.T.-er (Aan- en Afvoertroepen) en die kregen geen toestemming om te trouwen. Ik heb altijd gedacht dat hij bij de F-Brigade zat en instructeur was. A.T.-ers waren maar onbeschofte kerels. Twee maanden later wist ik het pas, dat hij A.T.-er was. Maar je kreeg dus geen toestemming om te trouwen, alleen als het moest. Daar was ik, als 19 jarige Ik zei tegen mijn moeder: “Vind je het goed als ik met een A.T.-er trouw?" Ze zei: “Het is jouw leven, want terug kan je niet., nou ben je zwanger en moet je naar de dokter." Dr. Kok van het Baronieziekenhuis in Bandung: “Je bent zwanger dus je moet je papieren inleveren bij het hoofdkantoor". En trouwden we.
Mijn man moest terug naar Nederland, we vertrokken op 28 november 1950, we behoorden tot de een na laatste groep militairen die vanaf Priok, van Jakarta vertrokken, met de Camaronia; een Engels passagiersschip. Er was alleen ossevlees aan boord.
Ik ben aan boord gegaan en mijn familie stond nog buiten maar ik wilde ze niet zien, want ik wil geen afscheid nemen. Ik heb mezelf opgesloten tot aan Colombo. Een keer heb ik echt een diner gegeten, de steward was in een mooi zwart kostuum, en ik moest spugen en spuugde zo op zijn kostuum, ik durfde niet meer naar buiten. Ik zei tegen mijn man steeds een broodje mee te nemen.
Er was een Nederlandse kapitein voor de militairen die zei me dat ik anders de Coolsingel in zou gaan, dat is een ziekenhuis voor militairen. “Je doet maar",zei ik tegen hem. Het waren droge broodjes met ham of jam. In Aden zijn we eruit gegaan, zijn we boodschappen gaan doen, gaan kijken. “Mannen hebben ook een kooi, je kan niet zien of ze mooi zijn of niet", zei ik tegen mijn man. En mijn man zei: “Je hebt nota bene een bolle buik van mij en nog kijk je naar andere mannen!" Via Suez en Engeland zijn wij naar Rotterdam gekomen op 24 december 1950. Daar gaan wij van boord, en worden wij opgevangen door een vrouwelijke militair. Ze heette ons welkom in Nederland: we kregen een bekertje zwarte koffie en een zure appel.
Koffie in Indonesië is lekker maar sterk, in Nederland dacht ik: “Wat een flauwe koffie". Ik neem altijd ’s ochtends koffie Toebroek, in een gewone beker met gemalen koffie erin en suiker, heet water eroverheen en dan roeren.
Toen zijn we de bus ingestapt en rechtstreeks naar mijn schoonouders in Breda, Prinsenbeek, toen heette dat Westerik. Toen vertelde mijn man dat je je schoonouders een hand geeft en niet kust. Maar van de schrik heb ik mijn schoonvader beetgepakt en gekust! En toen ben ik direct in de smaak gevallen. Het was ook net de verjaardag van mijn schoonmoeder, dus er was net geslacht, het waren boeren. Zo kwam ik binnen in een zijden jurkje, witte schoenen en een zomerjas en sneeuw tot aan de knieën. Aan boord kregen we wel kleren, maar die waren ouderwets. Ik kreeg een corset en een broek met het kruis op de knieën, een ouderwetse trainingsbroek. Wat moest ik met mijn dikke buik met een corset?!
Mijn schoonmoeder had medelijden met mij, zij heeft kleren voor mij aangeschaft en pantoffels voor de koude voeten, een hemd, een borstrok, een vest en een trui. En ik werd naast de kachel gezet. In heb begin vond mijn schoonmoeder wel moeilijk, zo ineens een vreemde. Voor mij was het makkelijker, ik was nog maar negentien.
Je weet wel over sneeuw maar je hebt het nog nooit gezien. Ik ken de verhalen van Dick Trom, dus ik weet dat de bomen kaal zijn, alleen ik heb nooit sneeuw ondervonden. Het was een tuinderij met vier koeien, ik hoefde nooit te helpen. Mijn schoonmoeder kwam met theetijd binnen, toen zei ik tegen mijn man: “Waar is het bed voor ons?" “Een bed heb je niet nodig, er is een stoel".Toen deed de schoonmoeder een kast open: een bedstede! Je ziet wel kasten maar geen ledikant. “Ik stik!", was mijn gedachte. Die eerste nacht was verschrikkelijk, je hoorde de koeien aan de ketting, ik kon niet slapen. Onder was stro, dan een schutbed en dan slaap je lekker toen ik gewend was, maar ik zeg tegen mijn man: "Deur open, anders kan ik geen adem halen".
Iedereen kwam langs, was bijna voorhistorisch om me te bekijken. Dan vroegen ze: "Is Kees thuis?" Maar dan willen ze mij zien. In het voorjaar ging ik naar de winkel, ik moest eieren voor mijn schoonmoeder halen. Toen zei die winkelier tegen mij: “Wie heeft u Nederlands geleerd? Heeft Kees dat gedaan?" “Ja", zei ik, “in drie maanden met vloeken en al". Mijn schoonmoeder kwam later in die winkel en die winkelier zei tegen haar: “Knap hoor, Nederlands leren in drie maanden".
De eerste twee maanden hoefde ik niet te koken. Mijn man houdt van rijst eten en mijn schoonmoeder later ook: babi ketchap en wokgroente. De wok had ik meegenomen. Later kregen we meer gedroogde spullen, in de Wilhelminastraat zat een Reformzaak die het verkocht. Later kwam er ook Conimex, maar dat was niet lekker. En zelf had ik een paar flessen ketjap van Indonesië meegenomen.
Mijn man werkte bij Etra en daarna was hij vrachtwagenchauffeur, internationaal. Ik kreeg mijn kraamspullen van mijn schoonmoeder. Op zondag kreeg ik rugpijn, ik ging eerst eten en dan om de baker vragen. Maar mijn schoonmoeder was niet gerust en waarschuwde de baker, die zou ook eerst gaan eten maar kwam toch kijken. Die zei: “Geef me een breinaald, ik moet doorprikken, ga maar op bed liggen". Maar het kwam al, de dokter was te laat.
De tweede kwam anderhalf jaar later. Ik was kersen aan het plukken in een boom. Toen kreeg ik een nat been; mijn water was los. Ik riep tegen mijn zwager “Help me naar benden" maar hij durfde niet. Toen heeft mijn schoonmoeder me van de ladder af geholpen. Ze komen in een vloek en een zucht.
Na drie jaar werden er huizen gebouwd, was wel een goedkoop huis, met grond erbij was het Fl. 1000,- gulden. Mijn schoonmoeder heeft geholpen met inrichten, we hebben alles zelf betaald. Ik was makkelijk met mijn schoonmoeder: ja en nee knikken en uiteindelijk mijn eigen zin doen. Mijn schoonmoeder zei me een wasmachine te kopen. Ik wilde een radio, dat vond ik leuker, wassen kon nog met de hand. Het was een grote radio, ik luisterde Jim Reeves, country en Maleise muziek. Met een platenspeler. De platen haalde ik uit Frankrijk, mijn man moest daar kijken voor mij. In België en Frankrijk wonen ook Indischen. Rudi van Dalm, Sjors de Vreeters, dergelijke muziek. Mijn man reed overal heen, alleen Griekenland liever niet: “Dat eten daar is hopeloos". Hij nam eigen eten mee uit blik, om geld uit te sparen. Of ik maakte eten voor hem klaar, voor een paar dagen.
De kinderen waren wat ouder toen zij ook hun eigen platen kochten. Ik had veel contact met de buren, die ken ik nu ook al zolang. Als iemand jarig was, dan geef ik geen gebak, maar bapao enzo. Zolang we nog eten hebben, koken we voor iedereen en als het op is, hebben we pech!

De U.S.S. Cameronia -
Het echtpaar de Raaff kwam naar Nederland met de T.S.S. Cameronia, een Engels passagiersschip, met de een na laatste groep militairen vanuit Jakarta
